De Tragiek als Tragedie

Het Hoger Beroep

Gepubliceerd in NN, mei 1992


Maandag 3 feburari diende in Arnhem het hoger beroep van uitgeverij Ravijn en de stichting Amok tegen de 7 PID-ers van de Nijmeegse politie.
Ruim een jaar geleden hadden deze politie-mensen via een kort geding een verspreidingsverbod afgedwongen, Ravijn moest stoppen met de verspreiding van het boek over de handel en wandel van de Nijmeegse Politieke Inlichtingen Dienst (PID). Niet dat dat veel uitmaakte, want de stichting X-Y nam de verspreiding onmiddelijk over, het boek beleefde 3 herdrukken in een maand tijd en op de Nijmeegse demonstratie tegen de Snuffelstaat werden 300 exemplaren verkocht zonder dat daar wat tegen gedaan werd.
Bakker Schut concludeerde afgelopen maandag dan ook dat het er meer op leek dat het verbod in kort geding bedoeld was om Ravijn voor de verspreiding te straffen en/of daardoor anderen af te schrikken ook zo'n boek te maken, danwel om de reputatie van geheime diensten als de PID te beschermen.

Het hoger beroep was toegespitst op twee kernvragen, ten eerste of er wel sprake was van schending van de privacy van de PID-ers en ten tweede, àls dat al het geval was, of die schendig een boekverbod noodzakelijk maakte. Het gaat daarbij om de verhouding tussen het recht op privacy en het recht op vrijheid van meningsuiting. Een zaak die tot in Strassbourg uitgevochten gaat worden.
Door een communicatie-stoornis was de datum van de zitting niet wijds bekend en dus was er in tegenstelling tot de vorige keer weinig publieke belangstelling. Wel was één van de PID-ers aanwezig, Rob Paulis, een lang, slungelig type, verlegen en onzeker buiten zijn eigen context, schutterig met de schouders omlaag.
De advocaat van de PID had er niet veel werk van gemaakt, hij had geen pleitnota en reageerde wat schampertjes op alles wat Bakker Schut in te brengen had. Hij bleef erbij dat de noodzaak van het vermelden van privé-gegevens nergens aangegeven was en dat de mogelijk kwalijke praktijken van de PID nooit hard gemaakt zijn. Van privacy-schendig was wel degelijk sprake, want zijn cliënten waren sinds het boekje zeer lastig gevallen: aangesproken op straat, opgebeld, er waren spullen voor hun besteld, grote onrust in het gezin was het gevolg. Hij wou nog wel even stellen dat zijn cliČnten er grote moeite mee hadden gehad dat er niet opgetreden was tijdens de Snuffelstaat-demonstratie. Het openbare orde-aspect, de angst voor rellen dus, was voorgegaan.

Laten wij Pieter Herman Bakker Schut aan het woord voor Ravijn. Een korte samenvatting.
Het op zich zelf publiceren van namen, adressen en telefoonnummers is geen privacy-schending, het gaat om de context. In de Tragiek worden de PID-ers niet beschuldigd van overspel, belastingfraude of drugshandel, de context heeft uitsluitend betrekking op het beroepsmatige functioneren van de agenten. Dat de chef van de PID, Oolbekkink informanten chanteerde en aanzette tot strafbare acties bijvoorbeeld.
Diè beschuldigingen heeft de PID echter niet aangevoerd tegen het boek, er is destijds zelfs uitdrukkelijk voor gekozen de al-dan- niet juistheid buiten beschouwing te laten.
Dat bij sommige lezers wellicht negatieve gedachten opkomen ten aanzien van de PID is natuurlijk wel heel wat anders dan dat de PID-ers worden aangetast in hun persoonlijke levenssfeer. Daarbij kun je je afvragen in hoeverre de PID-er zich terecht zorgen (zullen/kunnen) maken over dat "opwekken van negatieve gedachten en gevoelens". Het gaat hier immers niet om een wetenschappelijk WODC-rapport, maar volgens de PID en deels volgens de President om een publicatie die de PID-ers 'wenst neer te zetten als handlangers van een vijandelijke dienst met verwerpelijke praktijken, zonder de bedoeling te informeren'. De vraag is wie in de dagelijkse omgeving van de PID-ers dergelijke kritiek serieus zal nemen. Het is waarschijnlijker dat PID-ers de inhoud als een compliment beschouwen over de kennelijke dreiging die zij voor hun tegenstanders betekenen.

Terug naar de vraag over de privacy van de PID-ers. Omdat zij zich consequent als 'private individuals' hebben gepresenteerd kunnen de PID-ers geen beroep doen op de omstandigheid dat zij functionarissen van een geheime dienst zijn en daaraan aanspraken ontlenen. Het voorkomen dat de dienst onwerkbaar wordt, het risiko van ontmaskering en het belang van het ter discussie stellen van de praktijken van de PID kan daardoor in deze zaak niet aan de orde komen.
De PID kan zich niet op het landsbelang, 's lands veiligheid, beroepen. Ook de vraag naar het waarheidgehalte van de beschuldigingen in het boek aan het adres van de PID-ers †ls geheim agenten is niet meer relevant.
Het gaat nu uitsluitend om de vraag of de als "negatief" ervaren context van het boek (over PID-ers als functionarissen van de Staat) een schendig op kan leveren voor PID-ers als 'private individuals'. Die vraag kan volgens Bakker Schut dus negatief worden beantwoord.

Mocht het Hof er anders over denken, dan zijn er nog een aantal overwegingen met betrekking tot het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (het EVRM) ter beoordeling van vraag twee, de kwestie of die eventuele schendig het noodzakelijk maakt dat het boek wordt verboden.
Volgde in ingewikkelde excursie door het land van het Europees recht, waarin de vraag centraal stond of de schending van privacy -een zaak tussen burgers onderling- het ingrijpen van de staat, in dit geval de rechter rechtvaardigd. En dan nog met de zwaarst mogelijk inbreuk op het recht van vrije meningsuiting, namelijk een boekverbod. In de Europese jurisprudentie weegt de vrijheid van menigsuiting zwaarder dan de privacy. De inbreuk op de privacy moet wel heel goed aannemelijk gemaakt worden, voordat de Staat een inbreuk mag maken op de vrijheid van meningsuiting. Deze kwestie was zo ingewikkeld dat zelfs de rechters de essentie niet meteen begrepen.
Wij komen daar bij de uitspraak, op 17 maart op terug.("of zoveel vroeger of later als'ie gereed is").


Evel